Er stond eens een meisje boven aan een klif. De zee schreeuwde hoge golven beukend op de rotsen van de kust. De kust van metershoge kliffen en steile wanden waar hooguit enkele vogels wisten te komen. Daarboven op zo een klif stond een meisje te huilen en te trillen op haar benen. Niemand die haar zag of wist wat er zou gebeuren.
Ze keek keer op keer naar benee en zamelde al haar moed en verdriet tezamen. Niemand die het zou zien en niemand meer op aarde die haar zou missen. Zo sprong zij haar dood tegemoet.
De zee beneden haar schudde de kliffen wakker en allen schoven opzij. De rotsen verdwenen in de steile wand die haar eigen buik wist in te trekken en de zee op haar beurt trok zich meters ver terug.
Tijdens haar val maakte het meisje zich zo klein mogelijk met de handen voor haar ogen en zo zag zij niet wat er zich onder haar voltrok.
Nietsvermoedend van al het tumult boven haar lag een oesterschelp zich heerlijk uit te strekken en te gapen dat zij moe was tot zij zich ineens op het droge bevond. Hoestend en proestend naar adem trok zij haar schelp zo wijd mogelijk.
Het meisje viel met een harde klap in de openstaande oester die gelijk weer sloot. De kliffen staken zichzelf naar voor en de zee kwam met enorme golven terug naar haar plaats.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten